ROOD & NIGHTHAWKS AT THE DINER

 

‘Ik ben hopeloos romantisch ja. Wat is daar mis mee?’

 

De Nijmeegse zanger/componist/toetsenist Rood heeft een nieuw album vol broeierige songs, bizarre humor en bakken melancholie en romantiek afgeleverd. Op de hoes van het vijfde album Perfect Life is de naam ROOD na twaalf jaar toegevoegd aan de oudere bandnaam Nighthawks at the Diner, naar het derde album van Tom Waits uit 1975. Om van die eeuwige Waits-stempel af te geraken of speelden er andere zaken een rol?

 

“De toevoeging van mijn naam heeft meer te maken met de nieuwe start bij een andere platenmaatschappij en het feit dat deze cd nu echt nog meer een eigen legsel is. Vroeger werkte ik meer met co-auteurs. Voor Perfect Life is minder vanuit de band gedacht en gearrangeerd.” Dat de bandnaam bij sommigen een associatie met Tom Waits oproept, heeft ROOD nooit als een bezwaar gezien. “We houden dat vertrekpunt bewust in ere. Mensen die weten waar de bandnaam vandaan komt, rekenen we graag tot ons publiek.”

 

ROOD kan lachen om de vergelijkingen waarmee journalisten op de proppen komen. Hij hoorde, naast Waits uiteraard, namen vallen als Van Morisson, John Cale en Robert Wyatt. Van die laatste twee heeft hij niet eens platen in zijn kast. “Allemaal mooi, maar ik laat me liever beďnvloeden door werk uit de achttiende eeuw en de crooners uit de vorige eeuw. Van kinds af aan ben ik al Frank Sinatra-adept. En die invloeden hoor je dan ook terug. In covers Lost In The Stars en The Other Woman, bijvoorbeeld. Dat zijn hybriden: klassiek en crooner ineen. Voor mij allemaal belangrijker.”

 

Het merendeel van het werk van ROOD op de nieuwe cd is van zijn eigen hand. Hij opereert er meer dan ooit als een gepassioneerd verhalenverteller. ROOD: “Een achttal tracks op de cd stammen direct of indirect af van een ‘klassiek’ werk voor piano en orkest waaraan ik anderhalf jaar heb zitten sleutelen. Dat had als gevolg dat dit keer veel muziek er eerder was dan de woorden, en daarmee leg je je meteen een enorme beperking op in de tekstvorm. Niet in wat je wilt vertellen, want teksten waren er genoeg. Maar ik kon niet alles gebruiken. Er is nog even een dubbelalbum overwogen, maar nu ligt er ten minste nog wat op de plank.”

 

Het werk van ROOD verjaart niet zo snel. Hij is daar ook wel blij om, of beter, is eigenlijk ook wel op zoek naar een bepaald soort eeuwigheidswaarde. “Daarom groeit mijn platenkast ook nauwelijks. Ik koop pas een album als ik er zeker van ben dat ik het over tien jaar nog wil draaien. De eerste cd’s van Dayna Kurtz en Madeleine Peyroux hadden ook dit jaar opgenomen kunnen zijn, net zoals mijn versie van dat nummer van Kurt Weill net zo goed in 1948 opgenomen had kunnen zijn. Dat is het voordeel als je van akoestisch geluid uitgaat. Door gebruik te maken van hypes in sound klinkt het vaak eerder gedateerd.”

 

Niet alleen in zijn muziek, ook op zijn teksten is de nu 39-jarige ROOD steeds kritischer. “Ik laat ze langer rijpen. Er wordt meer geschaafd en geschrapt. Meer dan vroeger. Als je ouder wordt, kun je beter afstand nemen. Toch komt er een moment waarop het zowel muzikaal als tekstueel goed zit. De overtuiging dat er iets in zit dat niet meer te verneuken valt. Dan ben je bij het definitieve aspect van een nummer aanbelandt. Daar blijft ook live, in theaters of het clubcircuit, altijd iets van over, in hoeveel verschillende versies je uiteindelijk een song ook giet.”

 

Op de cd is een opvallende gastrol weggelegd voor de klassieke bariton Ernst Daniel Smid, die grappig genoeg een rol vertolkt in een song over tatoeages. Cynisme en humor zijn ROOD niet vreemd, maar in de meeste verhalen zit toch vaak iets melancholieks. ROOD: “Het leven is niet veel meer dan een welwillende stoofpot. Er drijven goddelijke en duivelse ingrediënten in. Knollen uit het verleden en sukadelapjes uit de toekomst. Snufje lijden, eetlepel liefde. Ik zie melancholie en humor als de enige pannenlappen waarmee je de hele flikkerse zooi aan kunt pakken. Die dualiteiten vechten binnen individuen net zo hard om aandacht. Zelf ben ik wel extravert, maar ik bezit net zo goed een donkere, introverte en extreem romantische kant. Ik geniet net zoveel van Fight Club als van een sentimentele huilvrouwenroman. Ik pleit voor meer romantiek, zelfs als die naar Mary Poppins ruikt. Frank Boeijen noemde mij in het blad Heaven een oude ziel. Ik voel me vaak eerder een ouwe zak, want dit genuil over romantiek klinkt zelfs voor mijn generatie hopeloos belegen. Laat staan voor jongeren, die romantiek vaak al verwarren met gonorroe of Polanski .”

 

Tekst Willem Jongeneelen

Foto Duncan de Fey